1 Algemeen
De opbouw van deze gevelconstructie bestaat uit houten stijlen die h.o.h. 600 mm uit elkaar worden geplaatst.
Daartussen wordt losse plantaardige vezelisolatie ingeblazen. Aan de buitenzijde wordt de gevel afgewerkt met een gesloten houten gevelbeplating die gemonteerd worden op verticale houten rachels. Tussen de rachels wordt geventileerd. Om de biobased vezelisolatie voldoende af te schermen is een waterwerende, onbrandbare en dampopen vezelcementplaat toegepast. Aan de binnenzijde is achter de gipsafwerking een houtvezelplaat voorzien waarin leidingwerk kan worden ingefreesd. Daarachter is een folie voorzien met een houten beplating. Door toepassing van een installatiespouw is de kans op ongewenste doorbrekingen van binnen naar de vezelisolatie geminimaliseerd en bestaat alle vrijheid om leidingwerk en elektrapunten op te nemen in de gevel.
De beplatingen aan weerszijden van het houten gevelelement zijn voldoende sterk om de druk bij het inblazen van de isolatie te weerstaan.
Het gehele element, inclusief de isolatie en de beplatingen aan weerszijden daarvan, wordt in de fabriek samengesteld en als geheel op het werk aangevoerd en gemonteerd. In het werk wordt de folie, de houtvezelplaat en de gipsplaat aangebracht. Aan de buitenzijde wordt de houten gevelbeplating vaak ook achteraf aangebracht, maar die kan ook al geprefabriceerd vanuit de fabriek worden aangebracht.
De tekening laat een opbouw zien voor een dragende HSB gevelelement met een installatiespouw gevuld met een 40 mm houtvezelplaat. De installatiespouw kan ook achterwege gelaten worden. Dan worden de OSB-plaat en de gipsvezelplaat direct op elkaar gemonteerd. Bij een niet-dragende gevel kan de OSB- plaat vervangen worden door een tweede gipsvezelplaat. Deze tekeningen zijn in ontwikkeling. Het concept voor de niet dragende gevelvullende elementen is hier <link naar concept G2.12> beschikbaar.
Raadpleeg in overleg met de brandveiligheidsadviseur het constructieoverzicht in <link naar nieman brand rapport> voor de dikte van de gipsvezelplaten en de totale opbouw om te voldoen aan de voor het project geldende brandwerendheidseisen.
2 Constructieve sterkte
Deze gevel is voorzien van beplatingen die voldoende stabiliteit bieden om deze gevelconstructie als dragende gevel te kunnen toepassen. Ook een niet-dragende gevel kan met deze constructieopbouw worden toegepast. Uiteraard dient een evt. constructieve toepassing in nauw overleg met de constructeur te worden afgestemd.
Uitgangspunt in deze details is een hart-op-hartafstand tussen de houten stijlen van 600 mm.
3 Thermische isolatie
De thermische isolatie is grotendeels afhankelijk van de λ-waarde (warmtegeleidingscoëfficiënt) van de losse vezelisolatie in combinatie met het houtpercentage. Bij de berekening van de Rc-waarden volgens de NTA 8800, is rekening gehouden met een gemiddeld houtpercentage van 18%. Het op projectbasis aan te houden werkelijke houtpercentage kan daarvan afwijken als gevolg van extra hout voor gevelopeningen. Welk hout je hier wel en niet hoeft mee te rekenen in de Rc-berekening is zichtbaar gemaakt in de prestatielayers voor de thermische isolatie en lijnvormige koudebruggen van de details waarin deze gevelconstructie is toegepast.
Tussen de verschillende beschikbare vezelisolaties is verschil in de te hanteren λ-waarden. Bij de berekening van de Rc-waarden is rekening gehouden met de volgende (conservatieve) λ-waarden:
| Vezelisolatietype | λ-waarde [W/(mK)] |
| Inblaasstro (90 kg/m3) | 0,046 |
| Geperst stro (> 100 kg/m3) | 0,055 |
| Losse hennepvezelisolatie | 0,043 |
| Losse houtvezelisolatie | 0,040 |
| Losse cellulose-isolatie | 0,040 |
4 Waterdampdoorlatendheid
Met biobased bouwmaterialen kun je ook dampopen bouwen! Echter, een vorm van dampdiffusieweerstand is, in ons klimaat altijd noodzakelijk om te voorkomen dat zich te veel vocht ophoopt in de constructie gedurende langere tijd. Het verschil tussen de dampdiffusieweerstanden binnen en buiten is van belang om te voorkomen dat zich te veel vocht in de constructie ophoopt. Enerzijds doordat die vanaf de warme zijde de constructie in kan diffunderen en anderzijds doordat die onvoldoende uit de constructie kan diffunderen aan de buitenzijde.
Dit kan door middel van een eenvoudige Glazer-berekening onderzocht worden of via een vochtberekening met complexere software, zoals WUFI.
4.1 Dampdiffusieweerstand binnenzijde
In deze gevelconstructie is gekozen voor een oplossing waarin met een vrij grote mate van betrouwbaarheid de waterdampdoorlatendheid voldoende beperkt is. Daarom is in de details een vochtvariabele of een dampremmende folie aangegeven. Daarmee wordt de dampdiffusie van binnen het element beperkt. Deze folie is tevens bedoeld om voldoende luchtdichting te realiseren. De houtvezelplaat in de installatiespouw en de gipsvezelplaat die daaroverheen is geplaatst zijn niet aanvullend dampremmend afgeschermd en hierin kan vocht uit de binnenruimte via diffusie worden opgenomen bij een hoge relatieve vochtigheid binnen en weer afgestaan bij een lage relatieve vochtigheid binnen.
Wil je in je project liever zonder folie en nog dampopener bouwen? Onderzoek dan wat mogelijk is via een uitgebreide hygrothermische analyse met een betrouwbaar softwarepakket, zoals WUFI. Schakel hiervoor een bouwfysisch adviseur in.
4.2 Dampdiffusieweerstand buitenzijde
Aan de spouwzijde is een onbrandbare damopen vezelcementplaat opgenomen. Hiervan zijn er verschillende op de markt. Hier is uitgegaan van een 9 mm dikke plaat met een Sd-waarde die niet hoger is dan 0,35 meter.
De vezelisolatie dient, in de fabriek, voldoende droog in het element te worden ingeblazen (maximaal 8-12M% vocht).
5 Luchtdichtheid
In deze constructie is ervoor gekozen om de luchtdichting in het m2-vlak te realiseren via de vochtvariabele of dampremmende folie achter de houtvezelplaat. De naden dienen hiervoor, middels hiervoor geschikte tape, te worden afgedicht.
6 Waterdichtheid
De waterdichtheid van een gevel met een luchtspouw wordt geborgd via een samengesteld dichtingssysteem. Dat betekent dat verschillende lagen moeten samenwerken om de waterdichtheid te realiseren: een regenscherm aan de buitenzijde (de houten gevelbeplating) met daarachter een spouw waarin drukverschillen vereffend kunnen worden. Aan de warme zijde van de spouw is een watervoerende, maar dampopen, laag opgenomen, in dit geval de 9 mm dikke vezelcementplaat.
Om te voorkomen dat het water, als gevolg van drukverschillen tussen binnen en buiten, de constructie in gezogen wordt via kieren en naden, is de luchtdichting van belang. Deze is in deze dakconstructie in het m2-pakket via de vochtvariabele of dampremmende folie aan de binnenzijde geregeld. Deze laag is dus essentieel in deze constructie om een goede waterdichting te realiseren.
Indien een open gevelbeplating wordt toegepast, krijgt de spouwplaat naast de watervoerende functie, ook meteen een regenwerende functie. De waterbelasting op deze plaat wordt daarmee verhoogd. In dat geval dient nader te worden onderzocht of de spouwplaat volstaat of dat een aanvullende plaat of folie dient te worden aangebracht. Houdt ook rekening met UV-belasting van de spouwplaat bij toepassing van een open gevelbeplating.
7 Geluidwering
De geluidwering van de gevelconstructie is ingeschat op een geluidweerstand van RA ≤ 38 dB. Deze eengetalswaarde is ingeschat voor het geluidspectrum voor verkeerslawaai. Het Bbl vereist dat in een verblijfsgebied in de woning geen hogere geluidbelasting in de woning ontstaat, als gevolg van geluid van buiten (verkeerslawaai), dan 33 dB. Dat betekent dat deze gevelconstructie ook geschikt is voor toepassing in situaties met een flink verhoogde geluidbelasting en wel tot een, in het Omgevingsplan maximaal vastgestelde, omgevingswaarde voor het gezamenlijke geluid van buiten van 33+38 = 71 dB. Dit ligt 16 dB boven de reguliere geluidbelasting die in Nederland voorkomt in gebieden waar geen verhoogde geluidbelasting voor verkeerslawaai voorkomt.
8 Brandveiligheid
8.1 Brand- en rookklasse
Pure biobased vezelisolatie heeft een brandklasse E. In deze constructie is hiermee rekening gehouden voor zowel de losse plantaardige vezelisolatie als voor de houtvezelplaat in de installatiespouw. Aan de binnenzijde dient de houtvezelplaat daarom voldoende brandwerend te worden afgeschermd om te voorkomen dat een beginnende brand zich ontwikkelt tot een brand in de gehele woning. Hoelang de binnenafwerking bescherming moet bieden om te voorkomen dat de houtvezelplaat (brandklasse E) gaat branden, is niet expliciet vastgelegd in de bouwregelgeving. Bovendien is niet elke combinatie van binnenbeplating en isolatie met brandklasse E getest op de brand- en rookklasse van het gehele constructieonderdeel. Daarom heeft Building Balance een deskundigenverklaring op laten stellen door DGMR [verwijzing maken naar DGMR Deskundigenverklaring B2024093702N001v2] waarin is bepaald aan welke prestaties de binnenbeplating minimaal moet voldoen. Hiervoor is uitgegaan van een minimaal vereiste brandklasse D en rookklasse s2 voor de naar de binnenlucht gekeerde zijde van het constructieonderdeel (voor oppervlakten in beschermde of extra beschermde vluchtroutes buiten het (sub)brandcompartiment gelden zwaardere eisen). De in deze constructie getekende binnenbeplating van 12,5 mm gipsvezelplaat volstaat hiervoor. Indien geen gipsvezelplaat, maar een reguliere gipskartonplaat wordt toegepast is minimaal een 15 mm dikke plaat benodigd. Op die manier zal een beginnende brand niet binnen 20 minuten na het ontstaan kunnen uitbreiden tot een compartimentsbrand en zal de rookontwikkeling voldoende beperkt blijven.
De naaddichtingen van de beplatingen die de houtvezelisolatie afschermen zijn essentieel om te voorkomen dat een brand via de naden alsnog binnen 20 minuten de biobased isolatie kan bereiken. De langs- en dwarsnaden van de gipsplaten dienen daarom volledig vlak te worden afgewerkt met toepassing van gaasband. Ook de naden aan de randen dienen voldoende brandwerend te worden afgewerkt, bijv. met brandwerende kit of een houten afwerklat.
Aangebrachte doorbrekingen in de binnenafwerking dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de houtvezelisolatie niet ook via die weg binnen 20 minuten kan worden bereikt. Bij het aanbrengen van wandcontactdozen dienen die daarom voldoende brandwerend te worden uitgevoerd.
Aan de spouwzijde van het gevelelement geldt ook dat de losse plantaardige vezelisolatie bij een beginnende brand tegen de gevel niet snel mag ontwikkelen tot een zich snel uitbreidende gevelbrand. In navolging van de hierboven genoemde deskundigenverklaring is daarom uitgegaan van een onbrandbare plaat tussen de luchtspouw en de losse vezelisolatie die voldoet aan een minimale brandbeschermingsfactor K2 10. In combinatie met de gesloten houten gevelbeplating is dan voldoende geborgd dat een beginnende brand tegen de gevel niet binnen 20 minuten zal ontwikkelen tot een grotere gevelbrand. Van belang is om ook te zorgen dat bij een uitslaande brand, de uitslaande vlammen niet direct de spouw in kunnen komen.
8.2 Wbdbo
De vereiste wbdbo (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) tussen twee woningen bedraagt minimaal 60 minuten. Aan deze eis wordt voldaan als het kortst mogelijke branduitbreidingstraject van de ene woning naar de andere ten minste 60 minuten bedraagt. Het kortst mogelijke branduitbreidingstraject kan voeren door de constructie heen (branddoorslag), door de aansluitingen tussen constructieonderdelen heen (branddoorslag) of via de buitenlucht (brandoverslag). De brandwerendheid van een constructieonderdeel is dus slechts één van de routes die bepalend kan zijn voor het voldoen aan de wbdbo-eis. Een gevel vormt geen directe scheiding tussen twee woningen en daarom geldt in beginsel geen brandwerendheidseis aan een gevelconstructie, tenzij er een vluchtroute voert aan de buitenzijde langs de gevel. Het maatgevende branduitbreidingstraject van de ene naar de andere woning bij een gevel wordt bepaald door de aansluiting van de gevels ter plaatse van de woningscheidende wand. Eventuele bouwtechnische maatregelen hiervoor zijn opgenomen in de details waarin deze constructie is toegepast.

