1 Algemeen
Deze hellend dakelementen zijn samengesteld uit sporen van dakvoet naar nok, bestaande uit volhouten liggers. Daartussen worden biobased wolvezelisolatiematten/-dekens toegepast. Aan de spouwzijde wordt het elemement afgewerkt met een folie (‘open dakdoos’-principe). Aan de binnenzijde wordt een OSB 3-plaat als afwerking gebruikt. Deze plaat dient ook als dampremmer. Er wordt geen dampremmende folie aan de binnenzijde toegepast.
Het gehele element, inclusief de isolatie wordt in de fabriek samengesteld en als geheel op het werk aangevoerd en gemonteerd. In het werk worden de dakpannen gelegd.
2 Constructieve sterkte
Bij overspanning tussen dakvoet en daknok moet rekening gehouden worden met de afdracht van horizontale spatkrachten ter plaatse van de dakvoet. Over het algemeen worden deze opgevangen door het vloervlak. Dit is onderdeel van het constructief ontwerp.
3 Thermische isolatie
De thermische isolatie is grotendeels afhankelijk van de λ-waarde (warmtegeleidingscoëfficiënt) van de biobased wolvezelisolatiematten/-dekens in combinatie met het houtpercentage. Bij de berekening van de Rc-waarden volgens de NTA 8800, is rekening gehouden met een houtpercentage van 8% (h.o.h. 600 mm) en 11% (h.o.h. 400 mm). Uiteindelijk zal het werkelijke houtpercentage per project moeten worden vastgesteld.
Er zijn verschillende biobased wolvezelisolatiematten/-dekens beschikbaar. Met name vlaswoldekens, hennepwoldekens en houtwoldekens worden op dit moment al veelvuldig toegepast. De warmtegeleidingscoëfficiënt (λ-waarde) verschilt echter per product. In de tabel hieronder zijn de Rc-waarden gegeven voor verschillende sporenafmetingen in combinatie met verschillende h.o.h.-afmetingen / houtpercentages en de toepassing van biobased wolvezelisolatiematten/-dekens in verschillende dikten met verschillende λ-waarden. Uiteindelijk zal de Rc voor een specifiek project bepaald moeten worden op basis van de specifieke configuratie van de dakcontructie in dat project.
Tabel Overzicht Rc-waarden voor verschillende configuraties van constructie D 5.4a
| Sporen | h.o.h. | hout% | dikte | λ | Rc | Type isolatie |
| [mm2] | [mm] | % | [mm] | [W/(mK)] | [m2K/W] | |
| 38×270 | 600 | 8% | 260 | 0,036 | 6,4 | woldeken |
| 38×285 | 400 | 11% | 280 | 0,036 | 6,5 | woldeken |
| 38×285 | 400 | 11% | 285 | 0,036 | 6,5 | inblaasvezels |
| 38×285 | 600 | 8% | 280 | 0,039 | 6,5 | woldeken |
| 38×285 | 600 | 8% | 285 | 0,039 | 6,5 | inblaasvezels |
| 38×285 | 600 | 8% | 280 | 0,036 | 6,9 | woldeken |
| 38×285 | 600 | 8% | 285 | 0,036 | 6,9 | inblaasvezels |
4 Waterdampdoorlatendheid
Biobased bouwmaterialen zijn bij uitstek geschikt om dampopen te bouwen! Echter, een vorm van dampdiffusieweerstand is, in ons klimaat, altijd noodzakelijk om te voorkomen dat zich te veel vocht ophoopt in de constructie gedurende langere tijd. Het verschil tussen de dampdiffusieweerstanden binnen en buiten is van belang om te voorkomen dat zich te veel vocht in de constructie ophoopt. Enerzijds doordat die vanaf de warme zijde de constructie in kan diffunderen en anderzijds doordat die onvoldoende uit de constructie kan diffunderen aan de buitenzijde.
Dit kan door middel van een eenvoudige Glazer-berekening onderzocht worden of via een vochtberekening met Ubakus of met nog complexere software, zoals WUFI.
4.1 Dampdiffusieweerstand binnenzijde
Deze dakconstructie is uitgevoerd zonder dampremmende folie aan de binnenzijde. De OSB-3-beplating wordt hier als damprem gebruikt. Dat is mogelijk omdat de biobased isolatie heel dampopen is en langs de dakspouw een dampopen folie wordt toegepast.
Het is altijd aan te raden om bij dampopen bouwen een bouwfysisch adviseur in je project te betrekken die kan adviseren over de opbouw en de aansluitingen in de detaillering.
4.2 Dampdiffusieweerstand buitenzijde
In de winter kan, bijvoorbeeld als gevolg van koude nachten en nachtelijke uitstraling, in combinatie met een noordoriëntatie (weinig verdamping overdag door zonneschijn) inwendige condensatie ontstaan in de biobased wolvezelisolatiematten/-dekens. Vanwege de dampopen constructie kan dit ook weer voldoende uitdampen als het warmer is, waardoor de daksporen en de isolatie naar verwachting geen nadelige gevolgen zullen ondervinden.
Dit wordt onder andere ondersteund door de praktijkmetingen die in 2025 in verschillende bestaande woningen zijn gedaan in hellend dakconstructies met biobased vezelisolatiemateriaal. Hieruit kwam naar voren dat het vochtpercentage in het vezelisolatiemateriaal, zelfs in een koude periode niet hoger was dan gewenst. Dit onderzoek is gerapporteerd door TNO en kun je hier terugvinden: [link naar: https://nkbb.org/doc/tno-memo-metingen-van-vocht-in-stro-van-bestaande-dakconstructies/]
Let op dat de biobased wolvezelisolatiematten/-dekens bij verwerking voldoende droog zijn. Een vochtgehalte tussen de 8 en 12 M% is wordt met klem geadviseerd. Zorg dat de dakelementen ook voldoende waterwerend zijn afgedekt bij montage.
5 Luchtdichtheid
In deze constructie is ervoor gekozen om de luchtdichting in het m2-vlak te realiseren via de OSB-3-beplating. Deze wordt ook al als damprem gebruikt. Omdat de OSB-3-plaatafwerking ook direct de zichtzijde is, is het luchtdicht aftapen tussen de platen onderlling niet de meest elegante oplossing. Veel alternatieven zijn er echter niet. Hieronder zijn de mogelijkheden op een rij gezet:
- Accepteren en geen aanvullende maatregelen nemen. Daarmee zijn in de praktijk voldoende goede resultaten geboekt met specifieke OSB-platen. Hiervan dient de luchtdichting van de mes en groefaansluiting dan wel voldoende te zijn onderbouwd. Dit is productafhankelijk.
- Toch luchtdicht aftapen van de naadaansluitingen onderling. Indien het hier niet om een verblijfsruimte gaat, kan dit acceptabel zijn. Indien aftapen in het zicht niet acceptabel is, kan in het werk een extra houten plaat (klasse D) als eindafwerking worden aangebracht of kan de tape met houtstroken worden afgedekt.
- Maatwerkoplossing door luchtdichtingsband op te nemen in de mes en groefaansluiting. Of dit met een standaard mes en groefaansluiting mogelijk is kan worden betwijfeld. Mogelijk dat een aanpassing van de maatvoering van mes en groef (bijv. ruimere groef) hierin noodzakelijk is. Die afmetingen zijn productgerelateerd. Een semi-gesloten cellenband (bijv. 5×12 mm) kan dan op de kopse kant van de mes worden geplakt vlak voordat die wordt aangesloten op de volgende plaat. Bij het aansluiten van de mes in de groef wordt die dan gecomprimeerd en naar twee zijden rond de mes omgebogen Hiermee is de aansluiting goed luchtdicht. Vanwege de gevoeligheid van deze werkwijze, wordt geadviseerd deze oplossing niet in het werk uit te voeren, maar alleen in de fabriek.
Verlijming zal naar verwachting onvoldoende flexibel zijn om voldoende luchtdichting te verzorgen.
De randaansluitingen op de omliggende constructies dienen sowieso luchtdicht te worden afgetaped. Hieroverheen kan evt. een plint/houten strook worden gemonteerd als zichtwerk.
6 Waterdichtheid
De waterdichtheid van een pannendak wordt geborgd via een samengesteld dichtingssysteem. Dat betekent dat verschillende lagen moeten samenwerken om de waterdichtheid te realiseren: een regenscherm aan de buitenzijde (de pannen) met daaronder een spouw waarin drukverschillen vereffend kunnen worden. In de spouw onder de dakpannen is een watervoerende, maar dampopen, laag opgenomen.
Om te voorkomen dat het water, als gevolg van drukverschillen tussen binnen en buiten, de constructie in gezogen wordt via kieren en naden, is de luchtdichting van belang. Deze is in deze dakconstructie in het m2-pakket via de luchtdichte OSB-3-beplating aan de binnenzijde geregeld. Deze laag is dus ook essentieel om een goede waterdichting te realiseren.
7 Geluidwering
De geluidwering van de dakconstructie is ingeschat op een geluidweerstand van RA = circa 33 dB. Deze eengetalswaarde is ingeschat voor het geluidspectrum voor verkeerslawaai. De geluidwering GA;k van de dakconstructie bedraagt dan circa 30 dB. Het Bbl vereist dat in een verblijfsgebied in de woning geen hogere geluidbelasting in de woning ontstaat, als gevolg van geluid van buiten (verkeerslawaai), dan 33 dB. Dat betekent dat deze dakconstructie ook geschikt is voor toepassing in een verblijfsgebied in combinatie met een flink verhoogde geluidbelasting en wel tot een, in het Omgevingsplan maximaal vastgestelde, omgevingswaarde voor het gezamenlijke geluid van buiten van 63 dB. Met berekeningen moet worden bepaald welke geluidisolatie exact benodigd is en of de dakconstructie eventueel nog verzwaard moet worden.
8 Brandveiligheid
8.1 Brand- en rookklasse
Pure biobased vezelisolatie heeft een brandklasse E. Aan de binnenzijde van het dakelement dient deze isolatie voldoende te worden afgedekt met een beplating om aan de vereiste brandklasse D en rookklasse s2 te kunnen voldoen. Aan de binnenzijde is daarom een 18 mm dikke OSB-plaat voorzien. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de isolatie met brandklasse E niet binnen 20 minuten na het ontstaan van een brand kan worden bereikt. Daarom kan worden geconcludeerd dat de brandklasse binnen met deze opbouw ten minste voldoet aan de minimaal vereiste brandklasse D.
Voor meer informatie over hoe te voldoen aan de brandklasse bij toepassing van biobased isolatiemateriaal met brandklasse E, zie de deskundigenverklaring van DGMR. [link invoegen naar: https://nkbb.org/doc/beoordeling-brandklasse-hsb-wanden-met-biobased-isolatie/]
Aan de buitenzijde van een dakconstructie gelden geen eisen aan de brandklasse.
8.2 Wbdbo
De vereiste wbdbo (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) tussen twee woningen bedraagt minimaal 60 minuten. Aan deze eis wordt voldaan als het kortst mogelijke branduitbreidingstraject van de ene woning naar de andere ten minste 60 minuten bedraagt. Het kortst mogelijke branduitbreidingstraject kan voeren door de constructie heen (branddoorslag), door de aansluitingen tussen constructieonderdelen heen (branddoorslag) of via de buitenlucht (brandoverslag). De brandwerendheid van een constructieonderdeel is dus slechts één van de routes die bepalend kan zijn voor het voldoen aan de wbdbo-eis.
Een dak vormt geen directe scheiding tussen twee woningen en daarom geldt in beginsel geen brandwerendheidseis aan een dakconstructie. Het maatgevende branduitbreidingstraject van de ene naar de andere woning bij een dak wordt bepaald door de aansluiting van de daken ter plaatse van de woningscheidende wand. Uiteraard kan de dakconstructie hier wel een rol in spelen. Dit dient te worden beoordeeld in de detailaansluitingen.

